Ministerie van Doedelzaken

Column

Een uitnodiging van de Koninklijke Bibliotheek

25 juni 2021

Ik ga een geheimpje verklappen. Er zijn maar een paar mensen in de Nederlandse doedelzakwereld die het weten. Voor wie mij beter kent is dat bijzonder, want als er iets speciaal is dan hang ik het graag aan de grote klok op mijn sociale kanalen zoals Facebook, Twitter of Instagram. Het geheimpje is niet schokkend, maar het heeft me wel aan het denken gezet over de historie van Nederlandse doedelzakbands en met name hoe én in welke mate we kunnen terugkijken op de geschiedenis van deze bands.

Voor mijn geheimpje moet ik bijna dertig jaar terug in de tijd. In 1993 begon ik te experimenteren met het internet. Ik had een hbo-opleiding tot bibliothecaris achter de rug en werkte bij een communicatie-adviesbureau als informatiespecialist. Het zoeken naar informatie over bedrijven, personen en onderwerpen behoorde tot mijn dagelijkse werkzaamheden. Ik raakte in de ban van het internet, het world wide web en zoekmachines als Lycos, Altavista en Yahoo. Het world wide web was een geweldige bron van informatie, ondanks het feit dat de hoeveelheid informatie destijds een schim was van de enorme hoeveelheid die er nu te vinden is. Het was de tijd van de bulletin boards en de eerste chatkanalen zoals mIRC (Interet Relay Chat). Het was geweldig om als “normale consument” informatie te kunnen zoeken en vinden van over de gehele wereld en te kunnen chatten met iemand in Amerika of Australië. Medewerkers van onderzoeksinstellingen, bedrijven en universiteiten konden dat al sinds het einde van de jaren zestig, toen het internet geboren werd en databanken ontstonden die gevuld waren met allerlei publicaties. Anno 2021 is dat chatten en zoeken naar informatie de normaalste zaak van de wereld voor de meesten van u, maar toen was dat enorm spectaculair. Het waren de tijden waarin diensten zoals Google, Facebook, YouTube, SnapChat, TikTok en Instagram nog niet bestonden. Het begrip ‘sociale media’ was nog niet eens uitgevonden.

Die beginnersjaren waren ook de tijden van de eerste gratis websites voor particulieren op ‘De Digitale Stad’ (DDS) en Lycos Tripod. Het was ook de periode dat XS4ALL, voortgekomen uit een hackersbeweging en toen nog geen onderdeel van KPN, één van eerste internetproviders van Nederland was. Binnen Lycos Tripod bouwde ik mijn eerste websites en het leukste was om daarvoor mijn interesses centraal te stellen. Ik had toegang tot het world wide web via internetprovider TIP. Die periode kenmerkte zich door hoge telefoonrekeningen en bijna iedere avond een bezette telefoonlijn waardoor ik onbereikbaar was voor vrienden. Want onbeperkt internettoegang voor een vast bedrag via een aparte lijn bestond voor particulieren nog helemaal niet, tenzij je een tweede telefoonlijn had (maar wie kon zich dat permitteren?). Aan het einde van de jaren negentig werd ik klant bij XS4ALL. Binnen XS4ALL had iedere klant een eigen webruimte. Ik besloot mijn eerste serieuze website te bouwen waarop doedelzakmuziek, kilts en Schotland centraal zouden staan. Ik bedacht de naam Scotscorner en opende mijn eerste website met de titel Scotscorner. Ik publiceerde een hele korte geschiedenis en een lijst van doedelzakbands in Nederland. De website bevatte ook een korte geschiedenis van Schotse regimenten. Maar het onderdeel waar ik het meest trots op was, was een zogenaamde Frequently Asked Questions (FAQ). Dit was een overzicht van de meest gestelde vragen over doedelzakbands en het antwoord daarop.

Wanneer de website Scotscorner precies werd gelanceerd, is lastig terug te vinden. Ik weet wel wanneer ik er voor het laatst een update op aanbracht, dat was op 29 juni 2004. Ik had net een nieuwe relatie en de website raakte in een winterslaap. Ik ging me ook bezig houden met andere websites, waaronder die van de doedelzakband waar ik lid van was. Toen steeds meer particulieren het world wide web opkwamen, ontstonden vele nieuwe websites. Ook veel muziekvereniging bouwden een digitaal uithangbord op het internet. In 2001 ontstond het zogenaamde Web 2.0. De gebruiker werd meer en meer betrokken bij het produceren van eigen content. Het begrip “social media” deed haar intrede en diensten als Wikipedia, Hyves, YouTube, Twitter en Facebook ontstonden. Iedereen werd informatieproducent en voor verenigingen braken gouden tijden aan. De leden, geïnteresseerden en potentiële leden konden op eenvoudige wijze bereikt worden. Digitale promotie werd praktisch gratis en vele muziekverenigingen doken in en op op sociale media. Facebook, Twitter, Youtube en vele andere diensten werden de platformen waarop muziekverenigingen zich konden profileren en 24 uur per dag in contact konden staan met hun achterban. Het begrip ‘wisdom of the crowd’ deed zijn intrede. De gedachte hierachter was dat een groep mensen meer weet dan het individu. Sociale media sprongen daar gretig op in. Er ontstonden digitale clubs, groepen en discussiefora waar mensen foto’s, video’s en andere informatie deelden. Oók informatie over de muziekvereniging.

Ook ik ging mee in die tijd. Inmiddels was Scotscorner zelf, zoals zo veel websites, een Facebookpagina geworden. Er ontstond een Twitterpagina en een kanaal op YouTube. Ook het inmiddels ontstane Ministerie van Doedelzaken draaide op volle toeren met een Facebookpagina en eveneens een Twitterpagina. Scotscorner werd gebruikt om mijn ervaringen als bandmanager, drum major en bestuurslid te delen met anderen in de Nederlandse doedelzakwereld. Het Ministerie van Doedelzaken moet het digitale informatiecentrum zijn waar de geschiedschrijving van én informatie over Nederlandse doedelzakbands een plek zou krijgen. Mijn website van Scotscorner, ooit gebouwd eind jaren negentig, leidde een slapend bestaan. Het zou zestien jaar duren voor een medewerker van de Koninklijke Bibliotheek die eerste webplek uit haar winterslaap zou wakker kussen.

Op 6 mei 2020 kreeg ik een mail van de Koninklijke Bibliotheek (KB) in Den Haag. Even ter info, de KB is opgericht in 1798 en is de nationale bibliotheek van ons land. Het instituut verzamelt veel van wat er in Nederland wordt gepubliceerd zoals boeken, tijdschriften, kranten, e-boeken, luisterboeken en webpagina’s. Daarnaast heeft de KB enkele interessante projecten waaronder Delpher, een databank waarin veel oude Nederlandse kranten digitaal zijn opgeslagen en te raadplegen. Delpher is één van de bronnen van het Ministerie van Doedelzaken. Wij gebruiken de databank om historisch onderzoek te doen naar doedelzakbands in Nederland. Eén van de voorzichtige conclusies die we op basis van Delpher kunnen trekken, is dat Nederlandse landelijke kranten in de eerste dertig jaar na de Tweede Wereldoorlog veel meer over doedelzakbands publiceerden dan tegenwoordig het geval is. We hebben, mede op basis van Delpher, kunnen achterhalen dat de eerste Nederlandse doedelzakformatie in 1949 in Heerlen is ontstaan. In de databank is ook te vinden dat al voor de Tweede Wereldoorlog Schotse doedelzakbands en doedelzakspelers in Nederland waren. Hiermee wordt de mythe ontkracht dat het de Schotse- en Canadese regimenten waren die de doedelzak en kilt in Nederland introduceerden. Ze hebben zeker een zeer belangrijke bijdrage geleverd aan de oprichting van Schotse pipe bands in ons land, maar geheel onbekend waren de kilt en de great highland bagpipe niet onder de Hollanders van voor 1940.

Een ander bijzonder project van de KB is de archivering van Nederlandse webpagina’s. Sinds 2007 archiveert de Koninklijke Bibliotheek een selectie uit het gigantische aanbod aan webpagina’s die in Nederland zijn verschenen. In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, is wat je op het internet publiceert niet voor eeuwig. Veel informatie, zoals foto’s, video’s en andere documenten, zijn alweer verdwenen en daarmee niet meer beschikbaar voor het nageslacht. Het was een Google-baas die enkele jaren geleden opzien baarde door te zeggen dat je je op het internet gepubliceerde privéfoto’s maar beter ook kon uitprinten, want het gevaar was groot dat ze later niet meer te vinden zijn op het digitale web. Ik moet bekennen dat ik eigenlijk was vergeten dat mijn website Scotscorner, met informatie over Nederlandse doedelzakbands en mijn Frequently Asked Questions over doedelzakmuziek, nog steeds bestond. Ik was in mei 2020 immers nog steeds klant bij XS4ALL en mijn privépagina bestond nog steeds. Als je dan als afgestudeerd bibliothecaris op 6 mei 2020 een mail van de Koninklijke Bibliotheek krijgt is dat wel even schrikken. Als je dan ook nog leest dat ze besloten hebben om je website Scotscorner van eind jaren negentig, te archiveren en op te nemen in de webcollectie én dat er op dit moment maar 20.300 websites zijn geselecteerd (stand: januari 2021) dan is dat dubbel schrikken. Ik quote uit de mail van 6 mei: “De KB ziet het als haar taak om ook websites duurzaam te bewaren en raadpleegbaar te houden voor toekomstige generaties en ze te behoeden voor verlies door bijvoorbeeld technologische veroudering”. Scotscorner wordt daartoe jaarlijks bezocht door de zogenaamde webrobots van de KB en opgeslagen. Uit die zelfde mail: “Het signaleert dat digitaal erfgoed verloren dreigt te gaan en dat het bewaren daarvan voor gebruik door de huidige en toekomstige generatie onderzoekers zeer urgent is”. Concreet komt het er dus op neer dat wanneer iemand in 2066 (dan hoop ik honderd te worden) historisch onderzoek doet naar doedelzakbands en het webarchief van de KB raadpleegt, mijn pagina Scotscorner uit 2004 te raadplegen is. Voor iemand die bibliotheekacademie heeft gestudeerd en zelf historisch onderzoek doet naar Nederlandse doedelzakbands, is er geen groter genot.

Los van het feit dat ik mijn directe omgeving deelgenoot heb gemaakt van het KB-besluit en mijn vreugde, heeft het mij aan het denken gezet over de historie van Nederlandse doedelzakbands en met name hoe én in welke mate we in 2066 kunnen terugkijken op de geschiedenis van Nederlandse doedelzakbands. Want ondanks de gigantische digitaliseringsgolf van de afgelopen 30 jaar, de enorme toename aan websites en sociale media gevuld met foto’s, video’s, discussiebijdragen en andere informatie steven we af op een enorm probleem als het gaat om de archivering van het verenigingsleven. Is het straks nog wel mogelijk om de historie van Nederlandse doedelzakbands, haar leden, de optredens etc. te raadplegen? Zitten we niet gevangen in het fuik van sociale media waarbij nieuwe digitale groepen even snel weer verdwijnen als ze ontstaan zijn? Ik zie mensen veel energie steken in het online plaatsen van foto’s, video’s en tekstuele bijdragen. Maar wie garandeert dat die informatie morgen, volgend jaar of over vijftig jaar nog bestaat? Welke muziekvereniging heeft een actief archiveringsbeleid waarbij belangrijke informatie wordt opgeslagen voor het nageslacht en wie heeft één of meerdere leden die zich hier actief mee bezighouden? Want bij een jubileum wordt het ineens belangrijk. Ik was enkele jaren geleden erg blij dat de Groningse doedelzakband waarvan ik lid was een archief had. We waren als vereniging in staat om een leuke tentoonstelling samen te stellen over de geschiedenis van de band. Maar kan iedere vereniging dit? En zeker anno 2021? Of in het jaar dat de band vijftig of honderd jaar bestaat? Waar is al dat foto- en videomateriaal gebleven dat de enthousiaste aanhang tijdens buitenoptredens, concerten of repetities heeft gemaakt?

Hoe geweldig ik het ook vind dat mijn website Scotscorner bij de Koninklijke Bibliotheek te vinden is in het archief, het is maar een heel klein deeltje. Een tijdsopname die ook nog eens heel beperkt beeld geeft. Maar als dat het enige is dat straks te raadplegen is en de tijdgetuigen niet meer leven? En al die foto’s, video’s en teksten die ooit op de sociale media en websites stonden niet gearchiveerd zijn? Dan dreigt het gevaar dat we een heel vaag beeld hebben van de geschiedenis van Nederlandse doedelzakbands. Zal ik u nog een geheimpje verklappen? In 2021 bestaat het Ministerie van Doedelzaken vijf jaar. Het stelt niets voor, maar als we 45 jaar of 70 jaar verder zijn, dan hoop ik dat we een flink en waardevol archief hebben opgebouwd aan geschiedschrijving van Nederlandse doedelzakbands. In 2016 zijn we daarmee voorzichtig begonnen en eigenlijk is de basis daarvoor al gelegd eind jaren negentig met Scotscorner. Voor de komende jaren kunnen we én willen we dat niet alleen doen. Op de eerste plaats roep ik doedelzakbands op om werk te maken van duurzame archivering van de bandgeschiedenis. En op de tweede plaats roep ik bandleden, ex-leden en anderen op om belangrijke informatie te delen met je vereniging of het Ministerie van Doedelzaken. Ieder jaar in oktober is het ‘Maand van de Geschiedenis’. Net als vorig jaar willen wij weer bijzondere zaken voor het voetlicht brengen onder het motto: “ontdek gisteren, begrijp vandaag.”

* Meer informatie over de webarchivering van de Koninklijke Bibliotheek
* De website Scotscorner zoals deze op 29 juni 2004 is achtergelaten op het World Wide Web

Kees Westerkamp (1966) is geen onbekende in de (inter)nationale doedelzakwereld. In zijn muzikale carrière is hij zowel lid geweest van HaFaBra-orkesten als doedelzakverenigingen, heeft hij verschillende bestuursfuncties bekleed en bands of gelegenheidsformaties opgericht. Lees meer over Kees

© Ministerie van Doedelzaken

Andere columns

Yentl Schattevoet: “we mogen trots zijn op onze doedelzakcultuur”

Yentl Schattevoet: “we mogen trots zijn op onze doedelzakcultuur”

In deze rubriek, speciaal voor onze nieuwsbrief, stellen we ieder kwartaal aan een speler van een Nederlandse Doedelzakband de vraag wat hij of zij zou doen als je een jaar lang Minister van Doedelzaken bent; wat wordt het belangrijkste actiepunt? Waar richt je je op? En wat is jouw belangrijkste wapenfeit als het jaar om is? In deze editie is het woord aan de Dreadlock Piper, Yentl Schattevoet:

Naar het conservatorium!

Naar het conservatorium!

De Nederlandse muzieksector, en in het bijzonder die van de Schotse doedelzakken, werd even opgeschrikt. Het begon als...