Ministerie van Doedelzaken

Review

The Bagpipes: A Cultural History – Richard McLauchlan

29 juli 2025

De doedelzak is zo diep verweven met de Schotse cultuur en maatschappij, en heeft in bepaalde kringen zo’n mythische status gekregen, dat je je als niet-Schot soms bijna bezwaard voelt om in een kilt rond te lopen en het instrument te bespelen. Althans, dat gevoel krijg ik wanneer ik boeken over piping lees, zeker als ze geschreven zijn door een Schotse piper.
Hoewel ik zelf geen doedelzak speel en “slechts een drummer ben” (en vroeger een tijdje accordeon en concertpauken heb bespeeld), loop ik inmiddels lang genoeg rond in het piping wereldje dat die schaame me soms toch bekruipt. Vooral wanneer ik weer eens een boek lees zoals The Bagpipes: A Cultural History van Richard McLauchlan.
Gelukkig komt de auteur de lezer van buiten Schotland al vroeg in het boek te hulp. Want hoe wereldberoemd de Schotse doedelzak ook is, met een grote schare liefhebbers wereldwijd, het instrument is zeker niet door de Schotten uitgevonden.

Van de Lone Piper tot Brexit

Richard McLauchlan neemt de lezer mee op een reis door de culturele en maatschappelijke geschiedenis van de Great Highland bagpipe. Dat doet hij op een vermakelijke, maar zeker ook kritische toon. De auteur raakte als achtjarige geïnteresseerd in de bagpipes na een bezoek aan de Royal Edinburgh Military Tattoo. Het optreden van de Lone Piper, in de finale van de Tattoo, raakte McLauchlan zo dat hij het instrument wilde leren bespelen. Daarvoor kreeg hij op school les in doedelzakspelen en werd uiteindelijk pipe major.

De auteur heeft het boek opgedeeld in tien tijdsperioden. In het eerste hoofdstuk gaat hij in op de herkomst van de doedelzak. Hij wijst erop dat het instrument al werd bespeeld in landen als Italië, Tsjechië, Duitsland, Nederland, en zelfs Engeland en Ierland, vóórdat het in Schotland bespeeld werd. Toch richt het boek zich na deze introductie vooral op de doedelzak in Schotland. De geschiedenis van Schotland en ook de bagpipes is nauw verweven met Ierland. De Schotten hebben de doedelzak hoogstwaarschijnlijk dan ook uit Ierland gehaald. 

Ook maakt de auteur een uitstapje naar Nederland. Schotten kwamen eeuwen geleden niet alleen voor de handel naar de Lage Landen, maar ook om muzikale kennis op te doen. Hij verbindt dit met het historische feit dat Schotland destijds sterker georiënteerd was op het Europese vasteland dan op Engeland. In het licht van de Brexit wordt deze vroegere Europese gerichtheid tegenwoordig soms aangehaald als argument om Schotland opnieuw een plek in de Europese Unie te geven.

Doedelzak aan het hof

De doedelzak heeft in al die eeuwen geschiedenis een belangrijke rol gespeeld in het leven van zowel Schotten als Engelsen. Niet alleen als muziekinstrument voor het volksvermaak en de dagelijkse structuur binnen de Schotse clans, maar ook binnen koninklijke families en tijdens veldslagen. De eerste geschreven bron die de doedelzak aan het hof van de Engelse koning noemt, is een financieel document uit 1288. Daarin staat dat een doedelzakspeler twee shilling ontving voor een optreden voor de koning. Aan het Engelse hof waren vaak pipers verbonden die goed werden betaald. Pas in 1362 wordt er voor eerst officieel geschreven over doedelzakspelers aan het Schotse hof. Maar in tegenstelling tot hun Engelse collega’s kregen de Schotse koninklijke pipers geen vergoeding voor hun diensten. De laatste koninklijke piper overleed in 1570. Na de Union of the Crowns in 1603 waren het Schotse en Engelse koningshuis één geworden en duurde het tot 1843 voordat Koningin Victoria de functie van koninklijke piper (‘piper to the sovereign’) opnieuw instelde.

De doedelzak als cultureel en militair instrument

In het derde hoofdstuk, ‘A diverse and fluctuating culture’, behandelt de auteur de rol van de doedelzak tussen 1500 en 1700. Hij beschrijft hoe pipers in de Highlands verbonden waren aan de clan chief, terwijl in de Lowlands de steden zelf de pipers aanstelden (vaak samen met een drummer). Ook in verschillende Engelse steden waren pipers in dienst.
Op het platteland werden pipers ingezet om de landarbeiders met muziek te begeleiden. Hoewel er al voor 1500 aanwijzingen zijn dat pipers werden ingezet tijdens veldslagen, werd dit pas vanaf de 16e eeuw gebruikelijker. Sterker nog: James Turner beschrijft in de Pallas Armata (een soort handboek voor de soldaat uit 1863) dat doedelzakspelers niet alleen voorkwamen in Schotse legereenheden, maar ook in Duitse regimenten. Het is zeer waarschijnlijk dat de doedelzak vanaf dat moment als een oorlogswapen wordt gezien.

De auteur staat in het vierde hoofdstuk stil bij doedelzakmuziek tijdens het Jacobitische tijdperk (1700-1746). De korte periode waarin de katholieke Bonnie Prince Charlie probeerde de troon te heroveren op de zittende protestantse koning George II. Deze laatste was geboren en getogen in het Duitse Hannover. Door de Act of Settlement uit 1701 en de Acts of Union uit 1707 was zijn vader, ook een Duitser en via moeder erfgenaam van de Britse kroon, in 1714 tot koning van Groot-Brittannië en Ierland gekroond. Na de Slag bij Culloden in 1746, en daarmee het mislukken van de opstand, vluchtte Bonnie Prince Charlie voorgoed naar Frankrijk. In het boek wordt gaat de auteur dieper in op wat die periode betekende voor Schotse doedelzakmuziek. Want tijdens de opstand vocht een deel van de Schotse clans tegen het Britse leger, dat zelf ook doedelzakspelers in dienst had, terwijl een ander deel trouw bleef aan de Britse regering.

Het gevolg was dat clans ook tegen elkaar vochten. En dat betekende nogal wat voor doedelzakspelers. Zo koos Norman MacLeod of MacLeod, de 22e chief of the MacLeod clan met stamzetel in Dunvegan Castle op het eiland Skye, de zijde van Britse regeringstroepen. Omdat de beroemde doedelzakfamilie MacCrimmon als clan pipers verbonden waren aan de MacLeods, werden ook zij gedwongen mee te vechten aan de regeringszijde. Dat lijdde tijdens een gevecht nabij Inverness tussen Jacobitische clans en regeringsgezinde clans tot de dood van de gerespecteerde piper Donald Bàn MacCrimmon. Zijn dood werd gezien als een groot verlies voor de doedelzakcultuur. Uit eerbetoon componeerde zijn broer, Malcolm MacCrimmon en een piper van de clan chief, ‘The Lament for Donald Bàn MacCrimmon’.

Geen onrust meer

Na de Slag bij Culloden werd het dragen van Highland dress officieel verboden via de ‘Act of Proscription’ uit 1746. Richard McLauchlan benadrukt echter dat in deze wet met geen woord over doedelzakken wordt gesproken. En daarmee veegt hij het lang bestaande misverstand van tafel dat het bespelen van de bagpipes verboden was. Sterker nog, tussen 1740 en 1799 werden maar liefst 59 highland regimenten opgericht binnen het Britse leger, mét doedelzakspelers. Deze regimenten waren nodig om de Britse belangen in overzeese gebieden te beschermen en te verdedigen, zoals in Noord-Amerika, India en Afrika. Een bijkomend voordeel voor de regering was dat een flink deel van de ooit opstandige clans nu ver weg waren en daardoor geen onrust meer in eigen land konden veroorzaken. 

Officieel werd de piper pas vanaf 1854 officieel erkend als onderdeel van het Britse leger. Deze regimenten ontwikkelden een sterke cultuur van doedelzakmuziek die tegenwoordig nog steeds bestaat. Deze cultuur leidde tot veel nieuwe muziek en draagt bij aan het feit dat we dit jaar (2025) de 75e verjaardag vieren van The Royal Edinburgh Military Tattoo.
Historici hebben vaak geschreven dat de doedelzak in Schotland juist kon overleven door haar diepe verankering in de Britse regimenten. Ondanks dat veel regimenten en daarmee militaire pipes en drums inmiddels verdwenen zijn, blijft de traditie en rol van de militaire piper nog steeds sterk aanwezig in het Britse leger. Een opmerkelijk verhaal in dit verband is dat wijlen Koningin Elizabeth II enkele jaren geleden persoonlijk ingreep om de, vanwege bezuinigingen, mogelijke sluiting van The Army School of Bagpipe Music and Highland Drumming Edinburgh tegen te houden. De Koninklijke familie heeft immers een sterke band met Schotland, doedelzakmuziek en Schotse regimenten.
Buiten het leger om ontwikkelde de Schotse doedelzakcultuur zich ook door de oprichting van muziekorganisaties die onder andere verantwoordelijk waren voor competities. In Londen ontstond in de 19e eeuw een levendige doedelzakscene, mede dankzij de vele Schotten die zich daar vestigden.

Het Findlater/Dargai Syndroom

Uiteraard staat de auteur ook uitgebreid stil bij de vele grootheden die Schotland op doedelzakgebied heeft voortgebracht. In een apart hoofdstuk bespreekt hij de nodige prijswinnende pipers en de competities waar zij furore maakten. Ook staat hij stil bij het ontstaan van pipe bands: het moment waarop pipers en drummers samenkwamen in één band. Waarschijnlijk was dat in 1848.
De rol van de pipers binnen de regimenten maakte in de 19e eeuw een enorme vlucht. Ze bepaalden niet alleen het dagelijkse ritme op de kazerne met hun muziek, maar speelden ook een essentiële rol in het versterken van de moraal van de militairen op het slagveld. Verschillende doedelzakspelers, onder wie George Findlater, James Cleland Richardson en Daniel Laidlaw, werden onderscheiden met een Victoria Cross voor hun muzikale heldhaftigheid op het slagveld. Kolonel David Murray (1922-2017), schrijver van ‘The Music of The Scottish Regiments’, schreef ooit over het Findlater/Dargai Syndroom: het fenomeen waarbij militaire doedelzakspelers tijdens de Eerste Wereldoorlog voorop gingen bij aanvallen en al spelend hun kameraden over het slagveld leidden. Dit liep vaak uit op een tragedie. Van de circa 2.500 militaire pipers sneuvelden er zo’n 500 en raakten er nog eens 600 gewond. Het gevolg was dat het leger na de Eerste Wereldoorlog zo’n tekort aan pipers had, dat de toenmalige directeur van de Army School of Bagpipe Music and Highland Drumming, pipe major Willie Ross, zijn handen vol had aan het opleiden van nieuwe pipers en pipe majors. Dat leidde wel weer tot een grote groep getalenteerde pipers, die een belangrijke rol speelden in de opleiding van de generatie die er na kwam. Zij zorgden in zowel het militaire als het burgerleven voor een rijke doedelzakcultuur. John D. Burgess was één van die leerlingen van Ross, en werd later een levende piping legende. Niet alleen door zijn opvallende Schotse outfits, maar vooral door zijn indrukwekkende doedelzakspel en de vele prijzen die hij daarmee won.

Emancipatie op de pipes

Ondanks alle interessante feiten, vele namen, gebeurtenissen, anekdotes en achtergronden in het boek, is het iets anders dat dit werk voor mij waardevol maakt. Het behandelt namelijk ook diverse eigentijdse thema’s die ik in eerdere boeken niet tegen ben gekomen. Neem als voorbeeld alcoholisme onder pipers of de positie van de vrouwelijke doedelzakspelers. Doedelzakspelen was eeuwenlang een mannenaangelegenheid. Zeker omdat de Schotse doedelzak en de muziek groot werd als gevolg van haar positie in het leger. Toen er aan het einde van de 19e eeuw ook buiten het leger doedelzakbands ontstonden, waren het nog altijd vooral jongens en mannen die daar lid waren. Dat wil niet zeggen dat er in Schotland geen vrouwen waren die doedelzak speelden. De eerder genoemde pipe major Willie Ross kreeg in zijn jeugd les van zijn moeder. En in diverse Schotse gezinnen speelden zowel de zonen als ook de dochters op de pipes. De echte doorbraak voor vrouwen kwam echter pas in de jaren dertig van de twintigste eeuw. In 1930 werd in Londen de Dagenham Girl Pipers Band opgericht (opgeheven in 2024). In 1934 gevolgd door The Braemar Girls’ Pipe Band. Richard McLauchlan merkt daarbij op dat een groep samenspelende vrouwelijke pipers niet helemaal nieuw was: rond 1904 bestond al de ‘Lothian Lasses Pipe Band’, waarschijnlijk de eerste pipe band die geheel uit dames bestond. Maar de Dagenham Girls Pipers zetten echt de toon. De meisjes kregen betaald en traden zo’n 400 keer per jaar op. Ze toerden door Europa en speelden in 1938 ook in Nederland. Na de oorlog keerden ze nog enkele malen terug.

Ook in Canada ontstonden vrouwenpipe bands. Het Canadese leger had tijdens de Tweede Wereldoorlog zelfs een eigen vrouwelijke pipe band. Deze band was in 1945 gestationeerd in Apeldoorn en verzorgde van daaruit optredens in bevrijd Nederland, Duitsland en België. Ook in Australië, met een grote Schotse gemeenschap, verschenen vrouwelijke doedelzakspelers en pipe bands. Toch bleef echte emancipatie lang uit. Toen de Canadese Gail Brown in 1970 competitie speelde met Shotts and Dykehead Caledonia Pipe Band, lag dat bij de nodige mannen gevoelig. Nadat het in 1975 in Groot-Brittannië bij wet verboden werd om vrouwen uit te sluiten van het meedoen aan wedstrijden, kwam het onderwerp van vrouwelijke pipers in rustiger vaarwater.

De grenzeloze doedelzak

Richard McLauchlan sluit zijn boek af waarmee hij begonnen is: de doedelzak in een internationale setting. Want ondanks dat de doedelzak bij veel mensen associaties met Schotland oproept, komt het instrument in meer culturen voor, zoals de Bretonse doedelzak in Frankrijk en de Gaida op de Balkan. Iemand die daar alles van weet, is Ross Jennings. Wie veel actief is op Instagram en video’s van doedelzakspelers bekijkt, weet wellicht over wie ik het heb (profielnaam: The First Piper). Sinds 2014 probeert hij in ieder land ter wereld doedelzak te spelen. Ik heb al vele van zijn filmpjes bekeken, hij heeft op het moment van schrijven (eind juli 2025) maar liefst 197 landen bezocht. De sympathieke Ross, gekleed in kilt (Baird tartan), wit overhemd, groene kilthose, sporran en bruine schoenen, weet met zijn doedelzak de lokale bevolking enthousiast te maken voor zijn muziek. Los van de vraag hoe iemand in zo’n korte tijd overal ter wereld kan spelen, is het wonderbaarlijk hoe het instrument hem steeds weer in contact brengt met zowel Schotten die in het land wonen als de lokale bevolking. Die verbinding komt niet alleen doordat de doedelzak in veel landen bekend is in de lokale cultuur, maar ook omdat muziek verbindt.

The Bagpipes ; A Cultural History is een waardevol geschiedenisboek dat niet alleen de oude geschiedenis van de doedelzak belicht. Het gaat ook in op de op moderne aspecten en het effect van de doedelzak en de muziek op de maatschappelijke en culturele ontwikkelingen. Het is een uitstekend boek om een goed overzicht te krijgen van het instrument, beroemde spelers, belangrijke gebeurtenissen, interessante feiten, anekdotes en achtergronden. Het boek bevat een goed bronnenoverzicht en een beperkt aantal afbeeldingen. Een aanrader voor iedere doedelzakspeler en liefhebber!

The Bagpipes ; A Cultural History van Richard McLauchlan is uitgegeven in april 2025 door Hurst Publishers in Londen. Het boek telt 272 pagina’s inclusief 16 illustraties (ISBN 9-781805-262848).

© Ministerie van Doedelzaken

Andere reviews

Twee naslagwerken van Nederlandse bodem

Twee naslagwerken van Nederlandse bodem

Na meer dan dertig jaar actief te zijn op het internet en ongelofelijk veel uren te hebben besteed aan zoeken naar informatie, weet ik één ding zeker. Als de informatie niet in een officieel archief of bibliotheek is opgenomen, dan is het op een bepaald moment verdwenen. Gelukkig hebben we mooie naslagwerken in boekvorm. Uit de bibliotheek van het Ministerie van Doedelzaken kozen we ’50 Jaar Dutch Pipes and Drums’ en ‘In touch with the Dutch’.

The Pipes of War – Bruce Seton en John Grant

The Pipes of War – Bruce Seton en John Grant

The Pipes of War’ zou verplicht leesvoer moeten zijn voor iedereen die meer wil lezen over de rol van de doedelzak in het leger en de offers die zijn gebracht tijdens de Eerste Wereldoorlog. Naast een opsomming van vele namen, bevat het ook veel informatie over de geschiedenis van de doedelzak in Schotland, Ierse invloeden, de rol van de pipes binnen het leger en het dagelijks leven of de opleiding van de pipers. Ook gaan de auteurs kort in op de aanwezigheid van pipers in Nederland…

Finding bagpipe freedom – Andrew Douglas

Finding bagpipe freedom – Andrew Douglas

Cees Krottje: “al met al een zeer ver­helderend en inspirerend boek waar menig piper (of andere muzikant), pipe instructeur, pipe major of band manager nut­ti­ge kennis en muzikaal-educatief advies uit kan putten om zijn of haar spel, of zelfs band, tot een hoger niveau te tillen. Ofschoon ik veel eerder al had overwogen om de pipes weer uit die spreekwoordelijke wilgen te plukken, heeft deze uitgave mij geholpen om ook echt die step weer te zetten.”