Wie als doedelzakspeler of liefhebber van Schotse doedelzakmuziek nog nooit in Glasgow is geweest, doet zichzelf echt tekort. De stad is niet alleen de locatie van de jaarlijkse wereldkampioenschappen voor doedelzakbands (de World Pipe Band Championships), het muziekevenement Piping Live! en de vestigingsplaats van het National Piping Centre (inclusief een doedelzakmuseum). Glasgow huisvest ook The Royal Conservatoire of Scotland, een in 1847 opgericht conservatorium dat tot de beste ter wereld behoort. Uiteraard kan men er het bespelen van de Great Highland Bagpipe, zoals de doedelzak in Schotland heet, bestuderen. Sterker nog, het is de enige universiteit in Groot-Brittannië waar je terecht kunt om doedelzakmuziek en het instrument zelf te (be)studeren. Dat al dit muzikale moois in Glasgow te vinden is, voert terug op de rijke historie die de stad heeft als het gaat om doedelzakmuziek, bands, beroemde spelers en mooie composities. Die historie staat centraal in het boek Let Piping Flourish: A Musical History of Highland Piping in Glasgow van John Mulhearn.

Stad van het Rijk
Wie als Nederlander het historische Glasgow en de rol van amateurdoedelzakmuziek wil begrijpen, kan de stad het beste vergelijken met Rotterdam. Beide liggen nabij zee en zijn daarmee belangrijke havensteden, beide hebben een geschiedenis op het gebied van scheepswerven en beide zijn uitgesproken arbeiderssteden. Dat maakte blaasmuziek tot een populair tijdverdrijf na het werk.
Wat Glasgow anders maakte, was de migratie van vele Schotten vanuit de Highlands. De oorzaken van die migratie lagen in de grote armoede in de Schotse Hooglanden. Maar ook in de gedwongen herhuisvesting, de zogenoemde Highland Clearances, onder druk van de Engelsen. Wie het betalen kon of avontuurlijk was, emigreerde naar Noord-Amerika (Canada en de Verenigde Staten) of nog verder weg, zoals Nieuw-Zeeland, Australië of Zuid-Afrika. Wie geen geld had, zocht het dichter bij huis en vertrok naar Glasgow. Niet dat het daar qua welvaart veel beter was dan in de Highlands, maar er was tenminste werk in de handel, de haven of de scheepsbouw.
Op het hoogtepunt van deze migratie, en daarmee van de demografische ontwikkelingen, werd de stad de ‘tweede stad van het rijk’ genoemd (‘rijk’ in de betekenis van het Britse Gemenebest). In 1900 telde Glasgow 762.000 inwoners en behoorde het tot de grotere steden ter wereld. De piek werd bereikt in de jaren vijftig van de twintigste eeuw, toen de stad iets meer dan één miljoen inwoners had. Als gevolg van meerdere recessies liep dit aantal terug: in 2018 telde Glasgow iets meer dan 624.000 inwoners.
Van migratie naar gemeenschap: Highlanders in Glasgow
Om de immigranten uit de Highlands te ondersteunen, ontstonden er speciale verenigingen in Glasgow. Deze hadden tot doel Schotten uit het noorden te helpen met onderwijs en taallessen; zij spraken vaak geen Engels, dat in Glasgow gebruikelijk was, maar Scottish-Gaelic. Daarnaast stelden deze verenigingen de Schotse hooglandcultuur centraal en waren het ideale plekken om je bezig te houden met zaken als highland dancing, highland dress (tartan en kilt) en het bespelen van de doedelzak.
De eerste vereniging op dit gebied was The Glasgow Highland Society, opgericht in 1727. Deze organisatie zorgde voor kleding en onderwijs voor Schotten uit de Highlands die in Glasgow waren neergestreken. Ook regelde zij leerplaatsen, zodat mannen een vak konden leren en makkelijker een baan konden vinden in de stad.
Ondanks economische recessies met grote negatieve gevolgen voor Glasgow bleven binnenlandse migranten naar de stad trekken. Hierdoor ontstonden steeds meer verenigingen die Highlanders met culturele heimwee een plek boden. Het waren belangrijke gemeenschappen waar je Highlander kon zijn in een stad vol armoede, ongelijkheid en ‘ver weg’ van huis. Verenigingen als The Glasgow Lewis and Harris Association en The Glasgow Skye Association werden zo een stukje thuisland voor de Highlanders in de grote stad. In 1925 werd aan dit rijtje The Highlanders’ Institute toegevoegd, dat een belangrijke rol kreeg bij het organiseren van evenementen op politiek, sociaal en cultureel gebied. Aandacht voor muziek hoorde daar vanzelfsprekend bij. Dat gaf een enorme impuls aan het ontstaan van een ‘doedelzakindustrie’, bestaande uit instrumentbouwers, muziekuitgeverijen, clubs en doedelzakbands.
Fundamenten van de Glasgowse pipingcultuur
John Mulhearn, zelf doedelzakspeler en verbonden als docent aan The Royal Conservatoire of Scotland, gaat in zijn boek uitgebreid in op het ontstaan van die doedelzakbands in Glasgow. Veel mensen verbinden de doedelzak met Schotse militaire regimenten. Natuurlijk waren er in Glasgow regimenten met eigen pipe bands, en die bands boden getalenteerde pipers een goede baan. Maar de doedelzakmuziek, en daarmee de spelers, floreerden in de doedelzakbands van de Boys’ Brigade.
Deze organisatie voor jongens en mannen werd in 1883 in Glasgow opgericht en diende als voorbeeld voor de latere padvinderij van Baden-Powell (opgericht in 1907). De Boys’ Brigade kende een enorme hoeveelheid orkesten en pipe bands. In 1913, dertig jaar na de oprichting, telde de organisatie 838 bands, waarvan 132 doedelzakbands. Ondanks het feit dat een doedelzak geen goedkoop instrument was en de opleiding lang duurde, had het een enorme aantrekkingskracht op jongeren. Het had een grote impact op de groei van het aantal spelers én op de doedelzakindustrie als geheel.
Die vele doedelzakspelers hadden niet alleen behoefte aan instrumenten, onderdelen en kleding, maar ook aan cursussen en competities. In zijn boek beschrijft Mulhearn het ontstaan van de Scottish Pipers’ Association (1920), de Royal Scottish Pipe Band Association (1930), The College of Piping (1944) en The National Piping Centre (1996). The College of Piping ging in 2018 op in The National Piping Centre.
Let Piping Flourish: Tunes, geschiedenis en inspiratie
Let Piping Flourish is niet alleen een boek over de geschiedenis van doedelzakmuziek in Glasgow; het is bovenal een boek vol bladmuziek. Wat de doedelzakwereld kenmerkt, is de positieve traditie om muziek voor het instrument te publiceren in zogenaamde ‘tunebooks’. Deze boeken worden door pipers over de hele wereld gebruikt als inspiratiebron voor zelfstudie en optredens, zowel solo als in verenigingsverband. Voor vele pipers zijn bepaalde tunebooks vaste bagage geworden in de doedelzakkoffer.
Dat zal met dit boek niet anders zijn, al is het door de omvang. De publicatie van John Mulhearn weegt enkele kilo’s en daarmee niet het meest handzame exemplaar. Maar het boek is een schat aan tunes die iets met Glasgow te maken hebben. Doedelzaktunes worden vaak gecomponeerd als eerbetoon aan een beroemdheid, bijvoorbeeld een doedelzakspeler die zijn of haar sporen heeft verdiend, een politicus of iemand van koninklijke bloede. Maar ook gebeurtenissen, locaties of organisaties kunnen eeninspiratie zijn voor een doedelzakcompositie.
Let Piping Flourish bevat meer dan tweehonderd composities, voorzien van achtergrondinformatie. Het is daarmee een waardevol document voor wie meer wil weten over de geschiedenis van doedelzakmuziek in Glasgow, maar ook voor wie een overzicht zoekt van muziekstukken die aan de stad zijn verbonden. Het boek bedient daarmee zowel geschiedenisliefhebbers, onderzoekers en presentatoren van concerten als doedelzakspelers die op zoek zijn naar interessante tunes.
Let Piping Flourish; A Musical History of Highland Piping in Glasgow van John Mulhearn is in 2025 uitgegeven door John Mulhearn in Glasgow. Het boek telt 291 pagina’s, inclusief foto’s en bladmuziek (ISBN 978-1-80654-258-1).
