Ministerie van Doedelzaken

Column

Knagen aan de stoelpoten van de vereniging?

31 januari 2026

Ik weet niet of het een trend is die het einde van de vereniging betekent zoals wij die al vele decennia kennen, of dat het iets tijdelijks is. Misschien is het zelfs de start van een nieuw soort vereniging. Maar ik heb het idee dat er steeds meer gelegenheidsformaties ontstaan in de Nederlandse doedelzakwereld. Daarmee doel ik op kleine pipe bands in een bonte samenstelling. Bont als het gaat om de verschillende tartans en uniformen (de fantasie kent soms geen grenzen), maar ook bont in de instrumentale bezetting. Een aantal pipers en een bass drummer; regelmatig zie ik er een of meerdere snare drummers bij, en soms ook een tenor drummer.

Sommige spelers doen mee in meerdere gelegenheidsformaties. Sommigen zijn lid van een traditionele vereniging, anderen niet. Gezellig samen spelen voor een dankbaar publiek: geweldig! Samen muziek maken met soortgenoten. Optredens genoeg, of het nu gaat om gratis optredens zoals herdenkingen, of om betaalde optredens.

Los van een vereniging toch samenspelen lijkt in te zijn. En eerlijk gezegd ben ik er zelf ook niet vies van. Drie jaar geleden wilde ik weer iets actiefs met muziek gaan doen. Met het ouder worden is actief muziek maken immers handig in het kader van healthy aging. Ik pakte mijn drumstokken weer op en begon opnieuw te oefenen. Ik keerde terug bij de Groningse band waar ik van 2000 tot 2015 lid was. Maar ik merkte dat ik het verenigingsleven ontgroeid was. Ik kon mijn draai niet vinden. Ik werd moe van de drukke repetities en irriteerde me aan de vrijblijvendheid van sommige leden. Het enthousiasmeren van leden om mee te doen aan optredens werd me een doorn in het oog.

Dan maar definitief stoppen? Nee, dat wilde ik niet. Drummen is leuk, samen muziek maken nog leuker, en er zijn genoeg optredens te doen. Ik droomde van het opzetten van een nieuwe band, maar weet uit ervaring dat dit geen sinecure is. Een drummer zonder piper heeft bovendien geen bestaansrecht, tenzij je je alleen op solocompetities richt. En ik weet als geen ander dat samenspelen en elkaar uitdagen tot beter muziekspel kan leiden.

Inmiddels heb ik er ook enkele optredens opzitten in een gelegenheidsformatie — een duo, om precies te zijn. En als je als muzikanten uit de schaduw treedt, volgen er snel meer optredens. Voor dit voorjaar staan er alweer twee gepland.

Maar toch knaagt het. Want het gaat mij niet alleen om de gezelligheid of om optredens die anders niet mogelijk zijn binnen verenigingsverband. Het gaat om kwaliteit en om de ontwikkeling van een leuk repertoire. Van alleen Green Hills of Tyrol en Highland Cathedral word je op den duur ook niet vrolijk. Het gaat niet alleen om letterlijk in een ensemble spelen, maar ook om écht ensemble spelen. En dat bereik je niet door slechts een paar keer per jaar bij elkaar te komen voor een optredentje.

Dus hoe zorg je ervoor dat je kwaliteit biedt? En wie bewaakt dat? Dat houdt me bezig. Komen er workshops voor gelegenheidsformaties? Gaan die formaties meedoen aan competities? En hoe weet een opdrachtgever dat hij in zee gaat met een groepje dat ook daadwerkelijk een goed stuk muziek kan neerzetten?

Het knaagt ook als het gaat om concurrentie voor bestaande bands. Oké, sommige bands hebben zo’n volle agenda dat een optreden meer of minder geen broodroof is. Maar hoe zit het met bands die weinig optredens hebben? En wat te denken van gelegenheidsformaties die vissen in dezelfde lokale vijver als de plaatselijke doedelzakband? Om nog maar te zwijgen van de bedragen die al dan niet over tafel gaan.

Ja, het knaagt. Maar het schuurt ook. Vooral voor verenigingen die al decennialang bestaan. Ondanks het feit dat de doedelzak bij uitstek een solo-instrument is, en twee pipers al een formatie — en daarmee een miniband — vormen, zorgen die opkomende gelegenheidsformaties misschien wel voor de schuring die we nodig hebben in doedelzakland. Misschien is de gelegenheidsformatie van vandaag wel de vereniging van morgen.

Ik kijk in ieder geval uit naar de snaredrum van Andante die ik heb besteld. Ik word dit jaar zestig en het leek me een mooi verjaardagscadeau voor mezelf. Muziek houdt gezond. Kan het niet binnen de vereniging, dan maar erbuiten.

Kees Westerkamp (1966) is geen onbekende in de (inter)nationale doedelzakwereld. In zijn muzikale carrière is hij zowel lid geweest van HaFaBra-orkesten als doedelzakverenigingen, heeft hij verschillende bestuursfuncties bekleed en bands of gelegenheidsformaties opgericht. Lees meer over Kees.

© Ministerie van Doedelzaken

Andere columns

Een vergeten bandlid

Een vergeten bandlid

Als drum major zie ik hoe onmisbaar bandstewards zijn. Ze zorgen voor veiligheid, hulp en orde tijdens optredens, maar krijgen vaak te weinig aandacht. Met wat basisopleiding, herkenbare kleding en goede voorbereiding kunnen ze een groot verschil maken. Ik geloof echt dat dit de kwaliteit én veiligheid van onze optredens verbetert. En dat is het meer dan waard.

Weg met de kilt!

Weg met de kilt!

De aankoop van het banduniform, zoals de kilt, jacket, sporran, ghillie broques, kilt hose en glengarry, is een flink deel van een jaarlijkse bandbegroting. Toch begin ik me steeds meer af te vragen waarom bepaalde bands nog haar leden nog in kilt en toebehoren steken. 

De drum major als kerstboom van de doedelzakband?

De drum major als kerstboom van de doedelzakband?

Toen ik in 2015 stopte als lid van een pipe band, waar ik vijftien jaar drum major was geweest, dacht ik dat het met mijn carrière als ‘man met de stok’ snel zou zijn gedaan. Want wie had behoefte aan drum major zonder band? Maar ik had niet kunnen bedenken dat ik het als verenigingsloze drum major drukker zou krijgen dan ooit. Waarom ben ik elke keer het haasje? Is er een gebrek aan drum majors?